ECLI:NL:CRVB:2006:AX9614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering herziening WAO-uitkering wegens vermeende andere oorzaak arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig directeur, kreeg in 1989 een WAO-uitkering toegekend wegens nekklachten en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In 1991 werd deze uitkering herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, mede gebaseerd op een belastbaarheidspatroon waarin ook rugklachten werden meegenomen.
In 2002 verzocht appellant om herziening van de uitkering naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid vanwege een nieuwe lage rughernia. Het UWV weigerde dit op grond dat deze hernieuwde klachten voortkwamen uit een andere oorzaak dan die waarop de oorspronkelijke uitkering was gebaseerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat de nieuwe rughernia een andere oorzaak had dan de eerdere rugklachten die al in 1991 waren meegenomen. Bij twijfel moest appellant het voordeel van de twijfel krijgen. Het besluit van het UWV ontbeerde daarom een voldoende medische grondslag en werd vernietigd.
De Raad beval het UWV een nieuw besluit te nemen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en renteschade. Tevens werd het griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de herziening van de WAO-uitkering te weigeren wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.