ECLI:NL:CRVB:2006:AX9151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding en familierelatie
Appellant, voormalig directeur/grootaandeelhouder van een failliete vennootschap, trad in dienst bij een door zijn schoonzoon opgerichte B.V. De arbeidsrelatie werd gekenmerkt door een familierelatie zonder gezagsverhouding. Het UWV weigerde overname van betalingsverplichtingen en schortte de WAO-uitkering op vanwege het ontbreken van verzekeringsplicht.
De rechtbank oordeelde dat appellant de mededelingsplicht uit artikel 80 WAO Pro had geschonden door niet te melden dat hij volgens het UWV niet verzekerd was. De Centrale Raad van Beroep stelde echter vast dat appellant niet verplicht was zijn eigen standpunt te melden en dat de mededelingsplicht niet strekte tot het melden van latere uitspraken.
De Raad oordeelde dat het voor appellant duidelijk of redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de toekenning van de WAO-uitkering op een vergissing berustte. De intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht is daarom rechtsgeldig en het hoger beroep slaagt niet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen wegens het ontbreken van een gezagsverhouding en het karakter van de arbeidsrelatie als familierelatie.