ECLI:NL:CRVB:2006:AX9151

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-1906 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 WAOArt. 61 WWArt. 2 ZWArt. 2 Zfw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding en familierelatie

Appellant, voormalig directeur/grootaandeelhouder van een failliete vennootschap, trad in dienst bij een door zijn schoonzoon opgerichte B.V. De arbeidsrelatie werd gekenmerkt door een familierelatie zonder gezagsverhouding. Het UWV weigerde overname van betalingsverplichtingen en schortte de WAO-uitkering op vanwege het ontbreken van verzekeringsplicht.

De rechtbank oordeelde dat appellant de mededelingsplicht uit artikel 80 WAO Pro had geschonden door niet te melden dat hij volgens het UWV niet verzekerd was. De Centrale Raad van Beroep stelde echter vast dat appellant niet verplicht was zijn eigen standpunt te melden en dat de mededelingsplicht niet strekte tot het melden van latere uitspraken.

De Raad oordeelde dat het voor appellant duidelijk of redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de toekenning van de WAO-uitkering op een vergissing berustte. De intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht is daarom rechtsgeldig en het hoger beroep slaagt niet.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen wegens het ontbreken van een gezagsverhouding en het karakter van de arbeidsrelatie als familierelatie.

Uitspraak

04/1906 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 4 maart 2004, 02/1438 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 9 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J. de Boer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2006. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.
II. OVERWEGINGEN
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
"Eiser was directeur/grootaandeelhouder van [naam vennootschap], welke vennootschap op 20 oktober 1998 failliet is verklaard.
Met ingang van 2 november 1998 is eiser als algemeen directeur in dienst getreden van [naam BV] i.o. te [vestigingsplaats]. Deze B.V. is opgericht door de schoonzoon van eiser, de heer [naam schoonzoon]. Op 11 september 1998 is eisers dochter, mevrouw [naam dochter] met terugwerkende kracht tot 1 juli 1998 ingeschreven als mede-eigenaar van [naam BV]
Met ingang van 3 februari 1999 is over deze onderneming het faillissement uitgesproken.
Eiser heeft op 10 februari 1999 verweerders kantoor Utrecht verzocht om overname van de loonbetaling op grond van artikel 61 e.v. van de Werkloosheidswet (WW), omdat hij sedert 1 december 1998 geen loon heeft ontvangen. Bij besluit van
24 februari 1999 heeft verweerder dit verzoek afgewezen, onder overweging dat eiser niet is aan te merken als werknemer in de zin van de WW
(…)
Op 12 november 1999 heeft eiser verweerders kantoor Hilversum verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO wegens zijn per 1 februari 1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid.
Bij besluit van 16 februari 2000 heeft verweerder eiser met ingang van 31 januari 2000 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In het kader van de behandeling van de beroepsprocedure betreffende de weigering van overname betalingsverplichtingen heeft het kantoor Utrecht zich gewend tot het kantoor Hilversum. Naar aanleiding hiervan heeft het kantoor Hilversum bij besluit van 4 december 2000 eisers WAO-uitkering met ingang van 1 december 2000 geschorst.
Bij besluit van 11 januari 2001 heeft verweerders kantoor Utrecht besloten dat eiser in de periode van 2 november 1998 tot en met 6 april 1999 niet als verzekeringsplichtig in de zin van de Werkloosheidswet (WW), de WAO, de Ziektewet (ZW) en de Ziekenfondswet (Zfw) is aan te merken, omdat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding, aangezien de arbeidsrelatie zich primair kenmerkte tot een familierelatie."
Bij besluit van 1 maart 2001 heeft het Uwv het toekenningsbesluit van 16 februari 2000 ingetrokken en appellant alsnog met terugwerkende kracht de toekenning van WAO-uitkering geweigerd, omdat hij op 1 februari 1999 geen werknemer was. Bij besluit van 19 maart 2001 heeft het Uwv besloten de onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen.
Het Uwv heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er sprake is van schending van de inlichtingenplicht zoals neergelegd in artikel 80 van Pro de WAO. Subsidiair is het Uwv van oordeel dat het appellant op het moment van ontvangst van de toekenningsbeslissing redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de toekenning van de WAO-uitkering in lijnrechte tegenstelling stond met het standpunt van het Uwv-kantoor Utrecht.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat appellant ingevolge artikel 80 van Pro de WAO bij zijn aanvraag om WAO-uitkering melding had behoren te maken van het standpunt van kantoor Utrecht, zoals bevestigd in haar uitspraken van 31 juli 2001 en 20 december 2002. Appellant was immers verplicht uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijze duidelijk kon zijn dat zij van invloed zouden zijn op zijn recht van uitkering.
Het betoog van appellant dat hij op grond van de door hem voor [naam BV] ([naam schoonzoon]) verrichte werkzaamheden als werknemer moet worden aangemerkt, stuit af op de tussen partijen door de Raad op 5 augustus 2004 in de zaken 01/4978 en 03/485 gewezen uitspraak, waarin is overwogen dat geen gezagsverhouding heeft bestaan tussen [naam schoonzoon] en appellant.
De grief dat de rechtbank en het Uwv ten onrechte er van zijn uitgegaan dat appellant de op hem ingevolge artikel 80 van Pro de WAO rustende mededelingsverplichting heeft geschonden, ziet de Raad slagen. Daargelaten dat appellant bij zijn aanvraag geen melding kón maken van de later gewezen uitspraken van de rechtbank van 31 juli 2001 en 20 december 2002, strekt artikel 80 van Pro de WAO er naar het oordeel van de Raad niet toe dat appellant was gehouden het Uwv mededeling te doen van diens eigen standpunt.
Dat neemt niet weg dat het appellant duidelijk was of redelijkerwijs kon zijn dat de toekenning van WAO-uitkering bij het besluit van 16 februari 2000 op een vergissing berustte, nu die toekenning op geen enkele manier in overeenstemming is te brengen met het door het Uwv tegenover appellant ingenomen en ten tijde van dat besluit (in beroep) gehandhaafde standpunt dat hij niet verzekerd was. Onder deze omstandigheden staat de rechtszekerheid, anders dan appellant meent, niet aan de intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht in de weg.
Uit het vorengemelde vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.