ECLI:NL:CRVB:2006:AX8703

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5768 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als oorlogsvervolgingsgetroffene wegens ontbreken vervolging in wettelijke zin

Appellante, geboren in 1937 in voormalig Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als vervolgde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij gaf aan dat zij en haar familie tijdens de Japanse bezetting in verschillende kampen verbleven en dat zij hierdoor lichamelijke en psychische klachten heeft opgelopen.

Verweerster wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellante vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. De kampen waarin appellante verbleef, Shamrock en Tuindorp, worden niet erkend als kampen waar sprake was van vrijheidsberoving met permanente bewaking zoals bedoeld in de Wet. Bovendien konden deze kampen min of meer vrijelijk worden verlaten.

De Raad concludeerde dat hoewel appellante moeilijke tijden heeft doorgemaakt, de Wet alleen compensatie biedt aan personen die vervolging in de wettelijke zin hebben ondergaan. Gezien het ontbreken van bewijs voor dergelijke vervolging, hield de Raad het bestreden besluit in stand en verklaarde het beroep ongegrond.

Verder werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 1 juni 2006.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat niet is vastgesteld dat zij vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Uitspraak

05/5768 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië), (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 1 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 22 juli 2005, kenmerk JZ/T60/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
In september 2004 heeft appellante, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde voor een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen ingevolge de Wet in aanmerking te worden gebracht. In dit verband heeft appellante vermeld dat haar vader, die bij het KNIL was, op 8 maart 1942 door de Japanners werd geïnterneerd waarna haar moeder met negen kinderen zonder inkomen achter bleef. Door nood gedreven verhuisden zij in augustus 1942 naar oma (moeders moeder) die in Bandung woonde en al spoedig werden zij gehuisvest in clubgebouw “Shamrock”. In januari 1944 werden de oudste twee broers in kamp Goenoeng Haloe gevangen gezet terwijl de rest van het gezin naar het complex Tuindorp werd overgebracht. In 1946 werd het gezin herenigd met vader. Als gevolg van dat alles zou appellante lichamelijke, maar vooral psychische klachten hebben gekregen.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 28 februari 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet vastgesteld is kunnen worden dat appellante vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen in beroep door appellante is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit, dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.
Verweerster heeft het verblijf van appellante tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië in de kampen Shamrock en Tuindorp niet aangemerkt als vrijheidsberoving in voormelde zin. Verweerster heeft ter verificatie gebruik gemaakt van NRK-lijsten en de kampenlijst Beekhuizen doch de kampen Shamrock en Tuindorp komen daarin niet voor als erkende kampen waar permanente bewaking werd beoogd zoals bovenvermeld. De kampen konden min of meer vrijelijk worden verlaten zoals blijkt uit het feit dat de moeder en een broer van appellante, [H.R. v. S.], om wat geld te verdienen werkten voor de breicentrale aan de [adres], en de moeder het complex Tuindorp, waar ze later zaten, soms verliet om boter te verkopen.
Ook op grond van de voorhanden gegevens in de dossiers van de familieleden van appellante, te weten haar broer
[H.R. S.] - die is erkend als vervolgde wegens internering in kamp Goenoeng Haloe - en haar zuster
[L.B. A.-S.] - die is erkend als weduwe van een vervolgde - zo ook appellantes moeder
[J.M.C. S.-K.], heeft verweerster niet kunnen vaststellen dat appellante vervolging heeft ondergaan. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster gezien het bovenstaande op goede gronden vastgesteld dat appellante geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. De Raad heeft daarbij ook meegewogen dat in het sociaal rapport d.d.
4 juni 1975 van de vader van appellante niets omtrent vervolging van zijn gezin is vermeld en dat de zuster van appellante [L.B. A.-S.] voornoemd, heeft verklaard dat zij niet geïnterneerd is geweest terwijl zij de gehele oorlogsperiode met appellante samen is geweest.
Met het bovenstaande is niet miskend dat appellante gedurende de bezettingsjaren moeilijke en angstige tijden heeft doorgemaakt, doch de Wet voorziet niet in compensatie van tijdens de bezetting door appellante ondervonden leed. De Wet biedt geen mogelijkheid om in het geval van appellante op andere gronden dan hierboven aangegeven erkenning als vervolgde te verlenen.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.