ECLI:NL:CRVB:2006:AX8670

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6295 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin haar verzoek om een WUBO-uitkering is geweigerd. De Raad erkende de seksuele intimidatie door een Japanner tijdens de Japanse bezetting als calamiteit, maar stelde dat appellante niet voldeed aan het vereiste van blijvende invaliditeit door lichamelijk en/of psychisch letsel.

Op basis van medisch onderzoek van arts J. Hansma concludeerde de genees-kundig adviseur dat de lichamelijke klachten van appellante niet aan de oorlogsomstandigheden gerelateerd zijn en dat de psychische klachten, hoewel erkend, niet zodanig zijn dat sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet. Appellante bracht geen tegenstrijdige medische gegevens in en betwistte het standpunt van verweerster zonder onderbouwing.

De Raad vond geen aanleiding om het standpunt van verweerster onjuist te achten en concludeerde dat de nachtmerries van appellante niet frequent genoeg zijn om een beperking in het dagelijks functioneren aan te tonen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De Raad zag geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit door de calamiteit.

Uitspraak

05/6295 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 1 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 13 oktober 2005, kenmerk bjz/60/2005, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Appellante is aldaar, naar tevoren was medegedeeld, niet verschenen en verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster uitvoering gegeven aan de uitspraak van deze Raad, gedaan op 9 juni 2005, reg. nr. 04/789 WUBO, en alsnog aanvaard dat de seksuele intimidatie door een Japanner tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië ten aanzien van appellante dient te worden aangemerkt als een calamiteit in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster evenwel tevens geweigerd appellante te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet, op de grond dat zij niet voldoet aan het hiervoor geldende vereiste dat sprake moet zijn van tot blijvende invaliditeit leidend lichamelijk en/of psychisch letsel ten gevolge van deze calamiteit.
Appellante kan zich met deze zienswijze van verweerster niet verenigen.
De Raad overweegt als volgt.
Verweerster heeft bij het thans bestreden besluit het advies gevolgd van haar genees-kundig adviseur, die op basis van op 27 september 2005 door de arts J. Hansma bij appellante verricht medisch onderzoek tot het oordeel is gekomen dat de lichamelijke klachten van appellante met de oorlogsomstandigheden geen verband houden en dat bij haar sprake is van wel met de oorlogsomstandigheden samenhangende (lichte) psychische klachten die evenwel niet zodanige beperkingen geven dat sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet.
De Raad heeft in de gedingstukken van medische aard geen aanknopingspunten kunnen vinden om dit standpunt van verweerster onjuist te achten. Hij merkt daarbij op dat van de zijde van appellante het standpunt van verweerster ongemotiveerd is betwist en dat door haar geen andersluidende medische gegevens zijn ingebracht. De nachtmerries waaraan appellante naar haar mededeling lijdt, zijn door verweerster blijkens het medisch advies onderkend, maar de frequentie ervan is, naar blijkt uit het rapport van medisch onderzoek niet zodanig dat er van een beperking in het dagelijks functioneren kan worden gesproken.
Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.