ECLI:NL:CRVB:2006:AX8610

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-1925 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging medische beoordeling en geschiktheid arbeidsmogelijkheden in WAO-schatting

Appellant stelde zich op het standpunt dat het medisch onderzoek door het UWV onzorgvuldig was geweest, omdat het was gebaseerd op oude en summiere informatie van de behandelende sector en niet alle lichamelijke klachten waren opgenomen in de functionele mogelijkhedenlijst.

De rechtbank had eerder geoordeeld dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het UWV juist was, gebaseerd op voldoende medische gegevens. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat de meest recente medische informatie van de behandelende uroloog en radioloog dateert van kort voor en na de datum in geschil, zodat geen sprake is van verouderde medische gegevens.

Appellant gaf aan niet meer onder behandeling te zijn en dat er geen nieuwe medische gegevens beschikbaar zijn. De Raad vond geen aanwijzingen dat appellant op de datum in geschil ernstiger beperkt was dan door het UWV werd aangenomen. Ook acht de Raad de voorgehouden functies medisch geschikt voor appellant.

De Raad ziet geen reden om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem. De medische beperkingen van appellant zijn niet onderschat en het besluit van het UWV blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV dat appellant geschikt is voor de voorgehouden functies en dat zijn medische beperkingen niet zijn onderschat.

Uitspraak

04/1925 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 februari 2004, 03/369
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 9 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2006. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Janszen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 14 maart 2002, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
De rechtbank heeft de vraag of dat standpunt juist is in de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord en heeft daarbij gewezen op de in het dossier aanwezige medische gegevens, waarin de rechtbank voldoende aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat door de verzekeringsartsen van het Uwv ten aanzien van appellant een juist medisch oordeel ten aanzien van het verrichten van arbeid is aangenomen.
De van de zijde van appellant in bezwaar en beroep, en thans wederom in hoger beroep, aangevoerde grieven betreffen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant is de mening toegedaan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat gebruik gemaakt is van oude en summiere informatie van de behandelende sector. Daarnaast zijn niet alle lichamelijke klachten opgenomen in de zogeheten functionele mogelijkhedenlijst.
Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare medische en andere gegevens geen aanknopingspunten gevonden te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de meest recente, door de verzekeringsartsen meegewogen informatie van de behandelende uroloog en radioloog dateert van twee maanden voor, en drie maanden na de datum in geding, zodat naar het oordeel van de Raad niet gesproken kan worden van het gebruik verouderde medische informatie. Daarnaast is van de zijde van appellant ter zitting aangegeven dat appellant niet meer onder behandeling staat en dat er geen nieuwe medische gegevens beschikbaar zijn. De Raad heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat appellant in objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger beperkt is te achten dan reeds door de verzekeringsartsen van het Uwv is aanvaard.
Op grond van het bovenstaande moet worden geoordeeld dat appellants medische beperkingen niet zijn onderschat. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid bestaat evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
BKH16050