ECLI:NL:CRVB:2006:AX8421

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 januari 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1736 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdige betaling griffierecht bij hoger beroep bestuursrecht

Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak van de rechtbank Groningen, maar dit hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht van €103. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is opposant in verzet gekomen.

Tijdens de zitting op 20 december 2005 waren partijen niet aanwezig. De Raad overweegt dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is voldaan, ondanks aanmaningen per aangetekende brief. Er is geen bewijs geleverd van betalingsonmacht of een relevante cumulatie van griffierechten die tot vrijstelling zou kunnen leiden.

De Raad benadrukt dat artikel 22 van Pro de Beroepswet dwingend recht is en dat het niet voldoen aan het griffierecht geen vrijstelling toestaat. Bovendien belemmert het betalen van griffierecht de toegang tot de rechter niet wezenlijk. Op grond hiervan verklaart de Raad het verzet ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/1736 NABW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 25 oktober 2005 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen het uitblijven van een door de rechtbank Groningen onder reg. nr. 04/191 te wijzen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is voldaan.
Tegen deze uitspraak is opposant in verzet gekomen.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20 december 2005, waar partijen - geopposeerde met bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 25 oktober 2005 steunt hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet binnen de laatstelijk door de griffier bij aangetekende brief van 30 augustus 2005 gestelde termijn is betaald, en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om die vraag ontkennend te beantwoorden.
De Raad merkt op dat de verschuldigdheid van het griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep voortvloeit uit het bepaalde in artikel 22 van Pro de Beroepswet. Op de verschuldigdheid van het griffierecht is opposant gewezen bij brieven van
9 augustus 2005 en 30 augustus 2005. Vast staat dat het griffierecht niet binnen de termijn, zoals gesteld in de brieven van 9 augustus 2005 en 30 augustus 2005, is betaald.
Aangezien artikel 22 van Pro de Beroepswet een bepaling van dwingend recht is, kan van het voldoen van griffierecht geen vrijstelling worden verleend, terwijl voorts van de door opposant gestelde betalingsonmacht niet is gebleken, nu deze stelling niet nader met verifieerbare gegevens is onderbouwd. Verder is uit de gedingstukken niet kunnen blijken van een ter zake relevante cumulatie van te betalen griffierechten in 2005, nu dit niet volgt uit de enkele omstandigheid dat opposant in 2005 meerdere zaken bij de Raad aanhangig heeft gemaakt.
Zoals de Raad in dit kader reeds meermalen heeft overwogen, zie onder andere CRvB 29 augustus 2005, LJN AU1857, kan van het recht dat een belanghebbende ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet dient te betalen, niet worden gezegd dat het de toegang tot de rechter wezenlijk belemmert.
Gelet op het vorenstaande moeten het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van
mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) P.E. Broekman.
MvK09016