ECLI:NL:CRVB:2006:AX6830

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5887 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late betaling griffierecht afgewezen

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, maar werd door de Raad niet-ontvankelijk verklaard omdat hij het griffierecht niet binnen de gestelde termijn had betaald. Appellant deed hiertegen verzet. Tijdens de zitting was appellant aanwezig, het College verscheen niet.

De Raad oordeelde dat appellant zelf verantwoordelijk was voor de tijdige betaling van het griffierecht en dat er geen gegronde redenen waren om het verzuim niet aan hem toe te rekenen. Er waren geen aanwijzingen dat appellant niet in verzuim was, noch dat hij tijdig om uitstel had verzocht.

Daarom verklaarde de Raad het verzet ongegrond en zag geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten. De uitspraak bevestigt het belang van tijdige betaling van griffierechten en de eigen verantwoordelijkheid van appellanten in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens te late betaling van griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/5887 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 augustus 2005, 04/3976 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 30 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 31 januari 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 31 januari 2006 heeft appellant verzet gedaan.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 mei 2006, waar appellant is verschenen en het College zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 31 januari 2006 berust hierop, dat appellant het in hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet binnen de bij de brief van de griffier van 31 oktober 2005 gestelde termijn van vier weken heeft voldaan, en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn eerder genoemde uitspraak is gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in het verzetschrift en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellant het verzuim niet kan worden tegengeworpen. Daarbij tekent de Raad aan dat niet de sociale dienst maar appellant zelf verantwoordelijk is voor tijdige betaling van het verschuldigde griffierecht. Indien het saldo op zijn bankrekening niet toereikend was, had van appellant mogen worden verwacht dat hij binnen de gestelde termijn aan de Raad om uitstel van betaling had verzocht.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op
30 mei 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.
JK/3056