ECLI:NL:CRVB:2006:AX6801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Toekenning WAO-uitkering met vaststelling aanvangsdatum en beperkingen
Betrokkene was werkzaam als sorteerder kledinghangers en viel op 3 februari 1999 uit wegens nek- en schouderklachten. Na een periode van werkzaamheden als frikadelleninpakster, waarin zij opnieuw uitviel, werd de toekenning van haar WAO-uitkering betwist vanwege de vraag of de arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken had geduurd.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch had de eerdere toekenning vernietigd omdat zij oordeelde dat de ziekteperiode onderbroken was door de werkzaamheden tussen juni en oktober 1999. In hoger beroep stelde appellant dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 3 februari 1999 onafgebroken bestond, ondanks de tussentijdse werkhervatting.
De Raad baseerde zich op medische rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en behandelend reumatoloog, die bevestigden dat de beperkingen aan nek, schouders en rug minimaal 52 weken onafgebroken aanwezig waren. Ook werd vastgesteld dat de functie van frikadelleninpakster schouder- en nekbelastend was, waardoor klachten bleven bestaan.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, waarmee de toekenning van de WAO-uitkering met ingang van 2 februari 2000 werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de WAO-uitkering per 2 februari 2000 blijft in stand.