ECLI:NL:CRVB:2006:AX6531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellante was sinds 8 juli 2002 in dienst bij Robert Walters Associates op basis van een tijdelijk contract dat niet werd verlengd. De werkgever bood haar twee opties: het contract uit dienen tot 8 juli 2003 met behoud van loon, of instemmen met ontbinding per 1 maart 2003 met een vergoeding. Appellante reageerde niet op dit voorstel. De werkgever verzocht vervolgens de kantonrechter om ontbinding per 1 maart 2003, wat werd toegewezen.
Appellante vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid omdat zij volgens het UWV had ingestemd met de ontbinding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat appellante niet expliciet had gekozen voor de ontbinding en dat het besluit van het UWV op een onjuiste feitelijke grondslag berustte.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV opnieuw moet beslissen op het bezwaar van appellante, inclusief een verzoek om vergoeding van kosten. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen op het bezwaar van appellante.