ECLI:NL:CRVB:2006:AX6466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Herroeping herzienings- en terugvorderingsbesluiten WW-uitkering wegens onvoldoende bewijs van arbeid
Appellant ontving een WW-uitkering vanaf juni 2000 en meldde zich in mei 2003 ziek. Naar aanleiding van een anonieme tip startte het UWV een fraudeonderzoek naar werkzaamheden die appellant bij zijn broer zou hebben verricht. Het UWV stelde dat appellant structureel werkzaamheden verrichtte, gemiddeld 16 uur per week, en herzag en vorderde de uitkering terug.
De rechtbank oordeelde echter dat appellant werkzaamheden verrichtte die een economische waarde hadden en dat hij dit had moeten melden, waardoor de herzienings- en terugvorderingsbesluiten standhielden. Appellant ging tegen dit oordeel in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de werkzaamheden van appellant, zoals het voeren van schapen, tuinonderhoud en kleine klusjes, te nauw verbonden waren met het normale familieleven en geen redelijkerwijs te verwachten geldelijk voordeel opleverden. Ook was de omvang van de werkzaamheden gering en onvoldoende onderbouwd door het UWV. Daarom konden de besluiten tot herziening en terugvordering niet in stand blijven en werden deze herroepen.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellant. Hiermee bevestigde de Raad het vernietigen van het bestreden besluit, zij het op andere gronden dan de rechtbank had gedaan.
Uitkomst: De besluiten tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering worden herroepen wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing.