Appellant werd op staande voet ontslagen wegens disfunctioneren en overtreding van de gedragsregel om tijdens werktijd geen computerspelletjes te spelen. De kantonrechter ontbond later de arbeidsovereenkomst wegens duurzame verstoring van de arbeidsverhouding en kende een vergoeding toe aan appellant.
Het UWV weigerde de WW-uitkering blijvend vanwege verwijtbare werkloosheid, gebaseerd op het niet naleven van de verplichtingen uit de Werkloosheidswet. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant zich zodanig verwijtbaar had gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit gedrag tot ontslag zou leiden. Het argument van appellant dat hij minder ging werken en daardoor geen afdelingshoofd kon worden, werd niet als rechtvaardiging geaccepteerd. De Raad wees ook een verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.
Uitspraak
05/5315 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 juli 2005, 05/61 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellant is verschenen, met bijstand van mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Op 8 september 2003 is appellant wegens disfunctioneren en overtreding van de gedragsregel om tijdens werktijd geen computerspelletjes te spelen op staande voet ontslagen door zijn werkgever. Nadat appellant de nietigheid van dit ontslag had ingeroepen heeft de werkgever zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bij beschikking van 11 februari 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wegens duurzame verstoring van de arbeidsverhouding ontbonden per 16 februari 2004 onder toekenning aan appellant van een vergoeding ten laste van de werkgever van € 4.415,--. In verband hiermee is ten aanzien van appellant werkloosheid ingetreden.
2.2. Het Uwv heeft bij besluit van 22 juni 2004 beslist de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren in verband met verwijtbare werkloosheid. Na daartegen door appellant gemaakt bezwaar heeft het Uwv bij het bestreden besluit van 25 november 2004 die maatregel gehandhaafd, welke is gebaseerd op het niet-nakomen van de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW. Ingevolge deze bepalingen dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt doordat hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend.
4.2. In hoger beroep heeft appellant nagenoeg dezelfde gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan. Daarover heeft de rechtbank het volgende overwogen.
"Voor de rechtbank is komen vast te staan dat eisers functioneren getuige de omtrent hem over de jaren 2000 tot en met 2002 uitgebrachte beoordelingen ernstige tekortkomingen vertoonde. Naast een onvoldoende produktiviteit kenmerkte eisers gedrag zich onder meer door onvoldoende interesse in het werk, een onvolwassen opstelling tegenover collega's en een ongemotiveerde werkhouding. Eiser is door de werkgever, die aanvankelijk nog wel brood zag in eisers technische capaciteiten, bij herhaling gewezen op het onaanvaardbare van zijn gedrag, dat desondanks niet de gewenste verbetering te zien gaf. Eisers doorgaande disfunctioneren in combinatie met de overtreding door eiser van de door de werkgever uitgevaardigde verbodsregel om tijdens werktijd computerspelletjes te spelen, leidde op 8 september 2003 tot het opzeggen van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. De rechtbank heeft in hetgeen door eiser ter zitting is verklaard, dat hij de laatste maanden voor zijn ontslag geen computerspelletjes meer deed, geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van de vermelding in de ontslagbrief van de werkgever dat eiser ondanks de gedragscode en herhaaldelijke waarschuwingen op de computer bleef spelen.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat eiser zich jegens de werkgever zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben."
4.3. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank volledig. Hetgeen door appellant overigens nog is aangevoerd, te weten dat hij omdat hij minder ging werken geen afdelingshoofd kon worden, terwijl de werkgever diens functie vervolgens uitholde, kan geen rechtvaardiging voor appellants gedrag en opstelling vormen. Dit betekent dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak moet derhalve worden bevestigd.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2006.