ECLI:NL:CRVB:2006:AX3760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Geen gezamenlijke huishouding bij beoordeling bijstandsrecht volgens Abw
Appellante ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) die werd berekend als voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een tip dat zij samenwoonde met appellant, startte de gemeente een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit onderzoek bestond uit observaties, inlichtingen, huisbezoek en verhoor, resulterend in een rapport van december 2001.
Het College beëindigde de bijstand met ingang van december 2001 en herzag de bijstand over de periode mei tot november 2001 omdat zij meende dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak.
De Raad stelt vast dat hoewel appellant overwegend op het adres van appellante verbleef en enkele aanwijzingen voor samenwoning aanwezig zijn, onvoldoende is komen vast te staan dat zij hun hoofdverblijf deelden of dat sprake was van wederzijdse zorg zoals vereist in artikel 3, derde lid, van de Abw. Ook het feit dat appellant huur bleef betalen aan zijn ouders en nauwelijks bijdroeg aan de huishoudkosten, onderbouwt dit oordeel.
Daarom vernietigt de Raad het besluit van het College en herroept het eerdere besluit, veroordeelt het College in de proceskosten en bepaalt dat de gemeente het betaalde griffierecht aan appellanten vergoedt.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding wordt vernietigd en het eerdere besluit herroepen.