ECLI:NL:CRVB:2006:AX3227

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04-1986 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk ondanks minimale rugafwijkingen

Appellante was werkzaam op een veiling waar zij paprika’s en pepers moest sorteren en inpakken. Zij viel uit wegens rugklachten en vroeg ziekengeld aan. Een verzekeringsarts vond haar vanaf 16 september 2002 geschikt voor haar werk, waarna het ziekengeld werd stopgezet. Appellante maakte bezwaar, maar een bezwaarverzekeringsarts bevestigde het oordeel dat zij geschikt was voor het werk gezien de aard van de klachten en het te tillen gewicht.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwierp de door appellante ingebrachte spirituele rapporten als onvoldoende bewijs. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en vond het medisch onderzoek zorgvuldig, waarbij ook rekening werd gehouden met medicijngebruik en het ontbreken van RSI-klachten.

De Raad zag geen aanleiding voor nader medisch onderzoek en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellante geschikt is voor haar werk en dus geen recht heeft op ziekengeld. De weigering van ziekengeld blijft daarmee gehandhaafd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante geschikt is voor haar werk ondanks minimale rugafwijkingen.

Uitspraak

04/1986 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2004, 03/803 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 17 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge voornoemd. Het Uwv heeft zich niet doen vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een weergave van de aan dit geding voorafgaande feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
De Raad volstaat in dit verband met het navolgende.
Appellante was laatstelijk sedert 9 juli 2002 werkzaam op een veiling, waar zij aan een lopende band paprika’s en pepers moest sorteren en in dozen pakken. Op 2 september 2002 is zij wegens rugklachten voor dit werk uitgevallen.
Terzake van dit ziektegeval heeft appellante op 13 september 2002 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die haar per 16 september 2002 niet langer ongeschikt achtte voor haar werk. Bij besluit van 16 september 2002 is aan appellante dienovereenkomstig met ingang van 16 september 2002 geen ziekengeld meer toegekend. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en is naar aanleiding hiervan gezien door een bezwaarverzekeringsarts. Deze zag geen reden om af te wijken van het stand-punt van de primaire verzekeringsarts.
Bij besluit van 20 februari 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad inzake de betekenis welke kan worden toegekend aan door het instituut Psychosofia Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans uitgebrachte rapporten, overwogen dat er geen reden is om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Uit het Afschrift Medische Kaart blijkt dat de primaire verzekeringsarts bij lichamelijk onderzoek van appellante behoudens een wat verstreken lordose geen afwijkingen aan de rug heeft vastgesteld. Hij achtte appellante nog zodanig belastbaar, dat zij haar werk op de veiling moest kunnen verrichten. Uit de beschrijving op de medische kaart blijkt dat het ging om werk dat lopend en staand werd verricht en waarbij dozen tot 10 kg moesten worden getild.
De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante eveneens onderzocht en daarbij slechts minimale medisch objectiveerbare afwijkingen aan de rug vastgesteld. Hij achtte appellante gezien de aard van de klachten in combinatie met de lichaamsbouw niet geschikt voor zeer zwaar werk, waarbij frequent lasten worden getild van meer dan 15 kg, maar achtte het werk op de veiling, gelet op het daarbij te tillen gewicht, wel haalbaar voor appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn beschouwing betrokken dat appellante ten tijde in geding het medicijn diclofenac gebruikte.
De Raad ziet evenals de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de betrokken verzekeringsartsen, die in hun rapportage blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek, waarbij met name ook aandacht is besteed aan de zwaarte van het werk. De Raad verenigt zich dan ook met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd merkt de Raad nog op dat de betrokken verzekeringsartsen bij appellante ten tijde in geding geen RSI-klachten hebben vastgesteld. Dat deze klachten in een eerder verzekeringsgeneeskundig rapport van 10 juli 2001 wel zijn vermeld betekent niet dat het onderzoek in dit geval onzorgvuldig is geweest. De Raad merkt in dit verband op dat ook de huisarts van appellante op 25 januari 2003 heeft verklaard niet bekend te zijn met RSI-klachten. Uit het journaal van de huisarts valt verder op te maken dat appellante in september 2002 last had van rugklachten. Daarmee is bij de verzekerings-geneeskundige beoordeling nadrukkelijk rekening gehouden. De Raad ziet mede gelet op deze gegevens van de behandelend sector geen reden voor een nader medisch onderzoek.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2006.