ECLI:NL:CRVB:2006:AX2216
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Doorlopende arbeidsongeschiktheid bij gedeeltelijke werkhervatting en recht op Ziektewetuitkering
Appellante was sinds 1 april 1989 werkzaam voor 21 uur en 36 minuten per week als projectbegeleidster en viel op 1 december 1998 uit wegens psychische en diabetesklachten. Na een wachttijd van 52 weken werd zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt geacht en hervatte zij haar werk vanaf 1 december 1999 gedeeltelijk op arbeids-therapeutische basis. Vanaf 1 maart 2000 werkte zij 14 uur per week tegen een reële loonwaarde, terwijl zij voor de resterende uren een reïntegratie-uitkering ontving. Vanaf 1 juni 2000 ontving zij een gedeeltelijke werkloosheidsuitkering voor 7,6 uur per week. Op 12 juni 2000 viel zij volledig uit door een motorongeval.
Het UWV weigerde ziekengeld toe te kennen over de 14 uur waarvoor zij in loondienst was vanaf 1 december 2000, omdat de werkgever volgens het UWV verplicht was tot loondoorbetaling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de ziekteperioden niet samengeteld konden worden en dat het UWV terecht alleen ziekengeld toekende over 7 uur en 36 minuten per week.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat op grond van artikel 7:629 BW Pro en jurisprudentie bij gedeeltelijke werkhervatting sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid. Ook als een werknemer binnen vier weken na hervatting weer arbeidsongeschikt wordt, geldt dit als doorlopend. Omdat appellante haar werk pas volledig hervatte op 1 april 2001, was er sprake van doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 1 december 1998. Het UWV heeft ten onrechte geen ziekengeld toegekend over de 14 uur per week.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor zover deze het beroep ongegrond verklaarden, en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen waarbij appellante recht heeft op Ziektewetuitkering over de 14 uur werk per week.