ECLI:NL:CRVB:2006:AX1778

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-149 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 AwbAlgemene wet bestuursrechtAlgemene bijstandswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stellen aanvraag bijzondere bijstand wegens onvolledige gegevens

Appellante had bij het College van burgemeester en wethouders van Breda een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ten behoeve van tandheelkundige kosten. Het College had haar eerder bijstand toegekend in de vorm van een geldlening, maar beëindigde deze vanwege het beschikken over een vermogen dat het vrij te laten bedrag overschreed.

Voor de beoordeling van de bijzondere bijstandaanvraag verzocht het College om aanvullende bewijsstukken met betrekking tot pensioenrechten en aflossing van schulden. Appellante leverde deze gegevens niet binnen de gestelde termijn aan, waarop het College besloot de aanvraag niet verder in behandeling te nemen. Dit besluit werd door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.

De Raad oordeelde dat het College terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om een onvolledige aanvraag buiten behandeling te laten, omdat de gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor een juiste beoordeling en appellante redelijkerwijs in staat was deze te overleggen. De Raad zag geen aanleiding voor het toewijzen van proceskosten en bevestigde de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: De aanvraag van appellante voor bijzondere bijstand wordt buiten behandeling gelaten wegens het niet tijdig aanleveren van noodzakelijke bewijsstukken.

Uitspraak

05/149 NABW
Centrale Raad van Beroep,
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 november 2004, 04/622 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het College).
Datum uitspraak: 2 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2006. Appellante is in persoon verschenen. Het College heeft zich, zoals aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Het College heeft appellante met ingang van 4 januari 2002 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet toegekend in de vorm van een geldlening tot een maximumbedrag van € 162.453,--. Op 21 mei 2003 heeft appellante een lening van € 55.000,-- gesloten onder verband van hypotheek op de door haar bewoonde woning. Bij besluit van 19 juni 2003 heeft het College het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2003 beëindigd op de grond dat zij over een vermogen beschikt dat groter is dan het vrij te laten vermogen van € 4.820,-- zodat zij zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Bij besluit van 24 oktober 2003 heeft het College het besluit van 19 juni 2003 gewijzigd in die zin dat het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2003 wordt beëindigd. De tegen de besluiten van 19 juni 2003 en 24 oktober 2003 ingediende bezwaarschriften zijn bij besluit van 11 februari 2004 ongegrond verklaard.
Op 3 oktober 2003 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de voor haar rekening gebleven kosten van een tandheelkundige behandeling ten bedrage van € 851,10.
Omdat zij bij een gesprek op 10 november 2003 niet alle voor de beoordeling van haar aanvraag noodzakelijke gegevens bij zich had, heeft het College appellante bij brief van 4 december 2003 verzocht vóór 1 januari 2004 bewijsstukken met betrekking tot haar rechten op pensioen in verband met het overlijden van [naam echtgenoot] over te leggen, alsmede bewijsstukken met betrekking tot de aflossing van schulden in de periode vanaf mei 2003, dan wel bewijsstukken waaruit blijkt in welke mate en op welke wijze zij vanaf mei 2003 op haar vermogen heeft ingeteerd. Het College heeft in die brief tevens aangegeven dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gelaten indien de gevraagde gegevens niet op 1 januari 2004 in zijn bezit zijn.
Appellante heeft de gevraagde bewijsstukken niet voor 1 januari 2004 overgelegd.
Bij besluit van 7 januari 2004 heeft het College besloten de aanvraag van appellante niet verder in behandeling te nemen op de grond dat het nog steeds over onvoldoende gegevens beschikt om de aanvraag af te handelen.
Bij besluit van 8 maart 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 maart 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 4:5, eerste lid (oud), van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag, indien onvoldoende gegevens zijn verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Naar het oordeel van de Raad zijn de door het College gevraagde gegevens van belang om te kunnen bepalen of appellante voor de door haar gevraagde bijstand in aanmerking kan komen. Appellante beschikte immers in mei 2003 over ruim € 50.000,-- zodat het voor de beoordeling van de in oktober 2003 gedane aanvraag noodzakelijk is om te weten of, in hoeverre en op welke wijze op dat bedrag is ingeteerd. Naar het oordeel van de Raad moet appellante ten tijde in geding redelijkerwijs in staat zijn geweest om over de gevraagde gegevens te beschikken en deze tijdig over te leggen. Appellante kan er niet mee volstaan te stellen dat zij met eerder genoemd bedrag in hoofdzaak schulden heeft afgelost en betalingen in verband met gevoerde procedures heeft verricht zonder ter zake verifieerbaar bewijs te leveren.
Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het College bevoegd was om de aanvraag van appellante buiten behandeling te laten. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
II. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.H.M. Roelofs als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2006.
(get.) R.M. van Male.
(get.) L. Jörg.
EK0504