ECLI:NL:CRVB:2006:AX1526

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/1961 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 97 Besluit algemene rechtspositie politieArt. 98 Besluit algemene rechtspositie politieRijkswachtgeldbesluit 1959Uitkeringsregeling 1966Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing wachtgeld na oneervol strafontslag wegens plichtsverzuim

Appellant had een aanvraag ingediend voor toekenning van wachtgeld met ingang van 2 november 2000, welke bij besluit van 2 december 2002 werd afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 14 augustus 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond en stelde vast dat appellant oneervol strafontslag had gekregen wegens plichtsverzuim. Dit ontslagbesluit was in hoogste instantie onherroepelijk verklaard door de Raad van 3 juni 2004.

Volgens de artikelen 97 en 98 van het Besluit algemene rechtspositie politie heeft een gewezen ambtenaar alleen recht op een uitkering op grond van het Rijkswachtgeldbesluit indien sprake is van eervol ontslag. Omdat appellant oneervol ontslagen is, heeft hij geen recht op wachtgeld. De Korpsbeheerder hoefde daarom geen zelfstandig onderzoek te doen naar de toedracht van het ontslag.

In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe gronden aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en verwijst naar diens overwegingen. Tevens wees de Raad een verzoek tot herziening van de eerdere uitspraak over het disciplinaire ontslag af. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag voor wachtgeld na oneervol strafontslag wordt bevestigd.

Uitspraak

05/1961 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 maart 2005, nr. 03/2223 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Midden (hierna: Korpsbeheerder)
Datum uitspraak: 4 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens de Korpsbeheerder is een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2006. Appellant is verschenen. De Korpsbeheerder is, zoals aangekondigd, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 2 december 2002 is appellants aanvraag om toekenning van wachtgeld op de voet van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (RWB) met ingang van 2 november 2000 afgewezen.
1.2. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 14 augustus 2003 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is, kort samengevat, overwogen dat aan appellant met ingang van 2 november 2000 oneervol strafontslag is verleend wegens plichtsverzuim. Dit ontslagbesluit is als een in rechte onaantastbaar gegeven te beschouwen, nu de handhaving van dit besluit in hoogste instantie door de Raad bij uitspraak van 3 juni 2004, nr. 02/3574 AW in stand is gelaten. Ingevolge de artikelen 97 en 98 van het Besluit algemene rechtspositie politie heeft een gewezen ambtenaar slechts in geval van eervol ontslag recht op een uitkering op de voet van het RWB, respectievelijk de Uitkeringsregeling 1966. Aangezien in rechte vaststaat dat aan appellant oneervol strafontslag is verleend, heeft hij reeds om die reden geen recht op wachtgeld en was een zelfstandig onderzoek door de Korpsbeheerder naar de toedracht van het ontslag ook niet vereist. De Korpsbeheerder heeft derhalve, aldus de rechtbank, terecht de aanvraag van appellant om toekenning van wachtgeld afgewezen.
3. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het bestreden besluit heeft gegeven. Appellant heeft in hoger beroep in wezen geen andere grieven aangevoerd dan in eerste aanleg. Nu de Raad de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot haar oordeel is gekomen volledig onderschrijft, volstaat de Raad met te verwijzen naar die overwegingen. Hij voegt daaraan nog toe dat hij bij uitspraak van heden, nr. 04/4201 AW, het verzoek om herziening van eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 3 juni 2004, inzake het als disciplinaire straf verleende ontslag, heeft afgewezen.
4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2006.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) O.C. Boute.
HD
20.04