ECLI:NL:CRVB:2006:AW9585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Betrokkene, sinds 1993 in dienst als adviseur/projectleider, viel sinds 2001 wegens ziekte uit en ontving een WAO-uitkering. Na therapeutische werkzaamheden en een ingetrokken ontslagaanvraag, ontstond een conflict met de werkgever. Betrokkene stuurde op 2 december 2003 twee beledigende sms-berichten aan de directeur, waarna hij op staande voet werd ontslagen. De kantonrechter ontbond later de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank matigde deze maatregel omdat de verwijtbaarheid niet in overwegende mate was. In hoger beroep stelt appellant dat het gedrag van betrokkene niet te rechtvaardigen is, mede omdat hij bewust handelde en geen excuses aanbood.
De Raad oordeelt dat de werkloosheid betrokkene wel in overwegende mate kan worden verweten. De relatie met de werkgever stond onder druk, maar er is geen bewijs van zodanige ernstige misdragingen door de werkgever die het gedrag van betrokkene rechtvaardigen. Het verzenden van de sms-berichten was een bewuste keuze en niet onbezonnen. De spijtbetuiging kwam te laat om de verwijtbaarheid te verminderen.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waardoor de WW-uitkering geheel wordt geweigerd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet.