ECLI:NL:CRVB:2006:AW5381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th. C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Weigering nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellante, voormalig echtgenote van de overledene [S.], verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van gezamenlijke huishouding en niet als nabestaande kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij en de overledene geen gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het moment van overlijden. Tevens was niet gebleken dat de overledene verplicht was tot levensonderhoud aan appellante op grond van Boek 1 BW.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de feitelijke situatie op het moment van overlijden bepalend is en dat appellante niet aan de voorwaarden van artikel 3 en Pro 4 van de Anw voldeed. Bewijsstukken toonden aan dat de overledene en appellante na echtscheiding apart woonden en zich als alleenwonenden presenteerden.
De Raad zag geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten en wees het hoger beroep af, waarmee de weigering van de nabestaandenuitkering definitief werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering wegens het ontbreken van een gezamenlijke huishouding en alimentatieplicht.