ECLI:NL:CRVB:2006:AW5265

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-922 NABw
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 AbwHoofdstuk II AbwAfdeling 1, paragraaf 2 en 3 Abw
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor vervanging tweepersoonsbed wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden

Appellant, die sinds 4 april 2002 een bijstandsuitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor de vervanging van zijn 13 jaar oude bed door een tweepersoonsbed vanwege zijn lichaamslengte. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af, evenals het bezwaar hiertegen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In het hoger beroep beperkte appellant zich tot de meerkosten van een tweepersoonsbed ten opzichte van een eenpersoonsbed. De Raad oordeelde dat de kosten van duurzame gebruiksgoederen zoals een bed in principe uit het inkomen moeten worden bestreden, bijvoorbeeld via reservering of gespreide betaling. Alleen bij bijzondere omstandigheden die leiden tot noodzakelijke kosten die niet uit de bijstandsnorm en draagkracht kunnen worden voldaan, is bijzondere bijstand mogelijk.

De Raad stelde vast dat appellant de vervanging van het bed had kunnen voorzien, dat hij sinds 1985 in zijn levensonderhoud voorzag en dat het ontbreken van reserveringsruimte door schulden geen bijzondere omstandigheid is. Daarom bevestigde de Raad de eerdere uitspraak en wees de bijzondere bijstand af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor de vervanging van een tweepersoonsbed wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

05/922 NABW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 januari 2005, ABW 04/2116-FRC (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 25 april 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2006. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt vanaf 4 april 2002 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Op 30 juni 2003 heeft hij een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend in de kosten van vervanging van zijn 13 jaar oude bed met bijbehorende matras.
Het College heeft deze aanvraag bij besluit van 18 juli 2003 afgewezen.
Bij besluit van 1 juli 2004 heeft het College het tegen het besluit van 18 juli 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 juli 2004 ongegrond verklaard.
Zoals blijkt uit het gestelde in de aanvullende beroepschriften en het verhandelde ter zitting is het hoger beroep van appellant beperkt tot de meerkosten van een tweepersoonsbed ten opzichte van een eenpersoonsbed.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Abw heeft, onverminderd hoofdstuk II van de Abw, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleen-staande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3 van de Abw, en de aanwezige draagkracht.
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd in de kosten van de vervanging van zijn bed. Hij heeft aangegeven dat hij gezien zijn lichaamslengte genoodzaakt is om een tweepersoonsbed aan te schaffen waarin hij diagonaal kan liggen waardoor hij extra kosten heeft, terwijl hij in verband met zijn schulden niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van een nieuw bed en vanwege de aangegane schuldsanering geen nieuwe lening mag sluiten.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad worden de kosten van duurzame gebruiksgoederen zoals een bed tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad, met het College, onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat in dit geval sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die voor bijstandsverlening in aanmerking komen. Appellant heeft de vervanging van zijn bed ruimschoots kunnen voorzien. Vast staat dat appellant vanaf
4 april 2002 bijstand ontvangt en niet is betwist dat hij vanaf 1985 tot aan laatstgenoemde datum in zijn levensonderhoud voorzag door middel van inkomsten uit arbeid. Verder is het ontbreken van (voldoende) reserverings-ruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen, niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid in het individuele geval die leidt tot noodzakelijke kosten. Schulden dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet worden afgewenteld op de Abw.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.