ECLI:NL:CRVB:2006:AW4846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- R.H. de Bock
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht Ziekenfondswet bij opeenvolgende ZW- en WW-uitkeringen
Appellant was ziek vanaf 14 februari 2001 en ontving tot 15 september 2001 loon van zijn werkgever. Daarna ontving hij een Ziektewet-uitkering tot 13 februari 2002, gevolgd door een WW-uitkering. Hij verzocht het UWV om hem per 15 september 2001 als verplicht verzekerd te beschouwen in de zin van de Ziekenfondswet, wat werd afgewezen vanwege het niet verstrijken van het wachtjaar.
De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat het wachtjaar aanving op het moment dat de WW-uitkering werd toegekend, omdat de ZW-periode niet meetelde. Appellant stelde in hoger beroep dat de wetgever beoogde dat aaneengesloten ZW- en WW-uitkeringen samengeteld moesten worden om onbillijke verlenging van het wachtjaar te voorkomen.
De Raad concludeerde dat sinds 19 september 2001 het dertiende lid van artikel 3 van Pro de Zfw bepaalt dat perioden van ZW-uitkering gelijkgesteld worden aan WW-uitkeringen voor het wachtjaar, mits deze na die datum vallen. Hierdoor moet de periode vanaf 19 september 2001 worden meegeteld, maar niet daarvoor. De eerdere uitspraak en het besluit op bezwaar werden vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Raad wees proceskosten af.
Uitkomst: Het verzoek van appellant om per 15 september 2001 als verplicht verzekerd te worden beschouwd wordt deels toegewezen en het besluit op bezwaar vernietigd.