ECLI:NL:CRVB:2006:AW3096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellante was sinds december 1993 in dienst bij Finles B.V. en werkte vanaf mei 1994 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op verzoek van de werkgever werd deze overeenkomst ontbonden met ingang van 1 februari 2005. Het UWV weigerde daarop de WW-uitkering omdat appellante verwijtbaar werkloos was, aangezien zij had ingestemd met de beëindiging van haar dienstverband.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, omdat het UWV niet had onderzocht of de verwijtbare werkloosheid appellante in overwegende mate te verwijten viel, noch of dringende redenen bestonden om af te zien van de maatregel. Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit waarin het standpunt van verwijtbare werkloosheid werd gehandhaafd.
De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake was van een zodanig verstoorde werkverhouding of onredelijkheid die voortzetting van het dienstverband onmogelijk maakte. Appellante heeft slechts een pro forma verweer gevoerd in de ontbindingsprocedure, waardoor zij instemde met de beëindiging van haar dienstverband. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 23 september 2005 wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.