ECLI:NL:CRVB:2006:AW2331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verhuiskostenvergoeding op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten
Appellante heeft op 3 mei 2002 een aanvraag ingediend voor een verhuiskostenvergoeding in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) vanwege een verhuizing medio 1999 naar een woning in een andere gemeente. Het College van burgemeester en wethouders van Gouda wees deze aanvraag bij besluit van 17 december 2002 af en verklaarde het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 26 maart 2003 gegrond, vernietigde dat besluit wegens ondeugdelijke motivering, maar verklaarde het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit van 17 december 2002 ongegrond op grond van artikel 8:72, vierde lid, Awb en artikel 2 Wvg Pro. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat appellante ten tijde van haar verhuizing niet woonachtig was in de gemeente Gouda, waardoor het College geen zorgplicht had op grond van de Wvg. De door appellante aangevoerde overeenkomst uit januari 1999 betreft uitsluitend geschillen onder de Algemene bijstandswet en is niet van toepassing op de Wvg.
Het hoger beroep van appellante richt zich alleen op de vraag of de rechtbank terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en wijst het hoger beroep af. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de verhuiskostenvergoeding wordt bevestigd.