ECLI:NL:CRVB:2006:AW2190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na schending vertrouwen werkgever
Appellant trad op 1 augustus 2002 in dienst bij De Weert Grootkeukenproducten v.o.f. en werd later ontslagen wegens onenigheid over het te voeren beleid. Tijdens het dienstverband had appellant onjuiste informatie verstrekt over een voorschot van € 2000 dat niet aan de schuldsanering werd overgemaakt, maar aan een familielid. Hoewel hem aanvankelijk het voordeel van de twijfel werd gegeven, ontdekte de werkgever later dat appellant tijdens werktijd zonder toestemming op zijn kinderen paste, wat volgens de werkgever niet was toegestaan.
Het UWV weigerde appellant een WW-uitkering per 1 mei 2003 wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zich zodanig had gedragen dat ontslag te verwachten was. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd. Appellant stelde in hoger beroep dat het voorschotincident niet de reden van ontslag was en dat er afspraken waren gemaakt over het oppassen op zijn kinderen tijdens werktijd.
De Raad oordeelde dat appellant het vertrouwen van de werkgever vanaf het begin had geschaad en onvoldoende duidelijkheid had verschaft over het oppassen tijdens werktijd. Ook was appellant niet volledig open geweest over een concurrentiebeding. Hierdoor was sprake van verwijtbare werkloosheid. Verminderde verwijtbaarheid werd niet aangenomen. De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.