ECLI:NL:CRVB:2006:AW2063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlaging WAO-uitkering en weigering ziekengeld bij psychische klachten
Appellant, werkzaam als kok, kreeg sinds 1984 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Het Uwv verlaagde in 1997 en later in 2000 de uitkering op basis van een inschatting van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Appellant voerde aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten toenamen en dat hij niet geschikt was voor 40 uur werk.
In hoger beroep werd het medische oordeel van een onafhankelijke psychiater gevolgd die geen specifieke psychiatrische stoornis vaststelde, maar wel een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en ontwijkende trekken. De door appellant ingebrachte rapporten van zijn behandelend psychiater en neuroloog werden minder zwaar gewogen vanwege gebrek aan onderschrijving door andere artsen en het tijdsverloop.
De Raad concludeerde dat het Uwv de psychische belastbaarheid niet had overschat en dat het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering op een juiste medische grondslag berustte. Ook de weigering van ziekengeld werd bevestigd. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking had op eerdere besluiten die waren ingetrokken. De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De Raad bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering en weigering van ziekengeld op juiste medische grondslag en verklaart het hoger beroep deels niet-ontvankelijk.