ECLI:NL:CRVB:2006:AW1748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-uitkering en medische grondslag bij arbeidsongeschiktheid na blootstelling aan xyleen
Appellant, voormalig productiemedewerker, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid na klachten van gewrichten, darmen, vermoeidheid en lusteloosheid. Het Uwv stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 35-45% in 1999 en verhoogde deze in 2001 naar 45-55%. Diverse medische rapporten, waaronder van internisten en psychiaters, werden overlegd.
Appellant stelde dat zijn volledige arbeidsongeschiktheid het gevolg was van blootstelling aan xyleen en dat zijn beperkingen onjuist waren vastgesteld. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige gronden van het Uwv juist waren en dat de psychische belastbaarheid adequaat was ingeschat. Het rapport van psychiater Koerselman, dat een genuanceerder beeld gaf dan eerdere psychiaters, kreeg doorslaggevende betekenis.
De Raad verwierp het beroep tegen de weigering van herziening van de WAO-uitkering wegens andere oorzaken van toegenomen arbeidsongeschiktheid (griep, kaakholteontsteking, hartklachten). De rechtbank en de Raad concludeerden dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt was en dat de vastgestelde uitkeringspercentages correct waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste vaststelling van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.