ECLI:NL:CRVB:2006:AV9524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
In deze zaak gaat het om de vraag of appellant terecht zijn WW-uitkering is geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank Breda had eerder geoordeeld dat appellant de verplichtingen uit artikel 24 van Pro de WW niet was nagekomen, wat leidde tot de weigering van de uitkering.
Appellant stelde in hoger beroep geen nieuwe feiten of argumenten aan de orde die aanleiding zouden geven tot een ander oordeel. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de feiten en overwegingen van de rechtbank en benadrukte dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een eigen onderzoeksplicht en verantwoordelijkheid heeft om te beoordelen of sprake is van verwijtbare werkloosheid.
De Raad stelde vast dat het oordeel van de kantonrechter over de verwijtbaarheid van het ontslag niet bindend is voor de toepassing van de WW; het UWV moet een zelfstandige beoordeling maken. De Raad vond geen gronden om het besluit van het UWV te vernietigen en wees ook een verzoek om proceskostenvergoeding af.
De uitspraak bevestigt daarmee de weigering van de WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid zoals omschreven in de WW.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.