ECLI:NL:CRVB:2006:AV9524

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-852 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid

In deze zaak gaat het om de vraag of appellant terecht zijn WW-uitkering is geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank Breda had eerder geoordeeld dat appellant de verplichtingen uit artikel 24 van Pro de WW niet was nagekomen, wat leidde tot de weigering van de uitkering.

Appellant stelde in hoger beroep geen nieuwe feiten of argumenten aan de orde die aanleiding zouden geven tot een ander oordeel. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de feiten en overwegingen van de rechtbank en benadrukte dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een eigen onderzoeksplicht en verantwoordelijkheid heeft om te beoordelen of sprake is van verwijtbare werkloosheid.

De Raad stelde vast dat het oordeel van de kantonrechter over de verwijtbaarheid van het ontslag niet bindend is voor de toepassing van de WW; het UWV moet een zelfstandige beoordeling maken. De Raad vond geen gronden om het besluit van het UWV te vernietigen en wees ook een verzoek om proceskostenvergoeding af.

De uitspraak bevestigt daarmee de weigering van de WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid zoals omschreven in de WW.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.

Uitspraak

05/852 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. P.J. van ’t Hoff, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 3 januari 2005, reg.nr. 04/425 WW tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van ’t Hoff voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad het uitgangspunt voor zijn beoordeling.
3. Het gaat in dit geding om beantwoording van de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit van 20 januari 2004 terecht appellants bezwaren tegen het besluit van 3 oktober 2003 ongegrond heeft verklaard, waarbij gedaagde de WW-uitkering van appellant blijvend geheel heeft geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden doordat hij de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW omschreven verplichting niet is nagekomen.
3.1. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen nieuwe gezichtspunten terwijl hetgeen daaromtrent door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. De Raad voegt daar nog aan toe dat, mede gelet op hetgeen ter zitting van de Raad naar voren is gebracht, hij gedaagde volgt in het standpunt dat voor gedaagde een eigen onderzoeksplicht en verantwoordelijkheid geldt ter zake van de vaststelling of zich verwijtbare werkloosheid voordoet als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW en dat het oordeel van de kantonrechter inzake de verwijtbaarheid van het ontslag onverlet laat dat in het kader van de toepassing van de WW een zelfstandige beoordeling en toetsing daarvan door gedaagde dienen plaats te vinden. Niet gebleken is dat deze toetsing niet voldoet aan de daaraan in rechte te stellen eisen.
3.2. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) L. Karssenberg.
BvW
203