ECLI:NL:CRVB:2006:AV8693
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering en terugvordering
Verzoeker diende in 2001 een aanvraag in voor bijstand, die met terugwerkende kracht werd toegekend. Later kwam via de belastingdienst en sociale recherche aan het licht dat verzoeker beschikte over twee bankrekeningen met aanzienlijke tegoeden die niet aan het College waren gemeld. Het College trok daarop het recht op bijstand in over de periode 2001-2004 en vorderde de gemaakte kosten terug.
Verzoeker stelde dat hij niet op de hoogte was van de kapitaalmarktrekening tot 2003 en dat zijn vader deze beheerde. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende had aangetoond dat hij niet beschikte over het tegoed en dat hij daarmee tekort was geschoten in zijn inlichtingenplicht. Hoewel het College de verkeerde wettelijke grondslag gebruikte, was er wel een redelijke basis voor intrekking en terugvordering op grond van de Wet werk en bijstand.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen spoedeisend belang was om de invordering op te schorten en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak werd gedaan door G.A.J. van den Hurk op 4 april 2006.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering wordt afgewezen.