ECLI:NL:CRVB:2006:AV8575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding tussen appellant en betrokkene
Appellant voerde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin het beroep tegen een besluit tot terugvordering van bijstandskosten werd afgewezen. De gemeente Renkum had vastgesteld dat appellant en betrokkene van 1 januari 1998 tot en met 14 juni 1999 een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor bijstand ten onrechte aan betrokkene was verleend en de kosten daarvan mede op appellant konden worden verhaald.
De Raad toetste of sprake was van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Dit vereist dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven van zorg voor elkaar door middel van een bijdrage in de huishoudkosten of anderszins. Uit het onderzoek en verklaringen bleek dat betrokkene en appellant samen een huishoudpot hadden, samen op vakantie gingen en dat betrokkene huishoudelijke taken verrichtte.
De Raad oordeelde dat deze feiten verder gaan dan een zakelijke kostgangersrelatie en voldoende zijn om van een gezamenlijke huishouding te spreken. De motieven en aard van de relatie zijn daarbij niet relevant. Omdat betrokkene zijn inlichtingenplicht niet was nagekomen, was de terugvordering op grond van artikel 84, tweede lid, Abw terecht mede op appellant gericht.
Appellants beroep op mantelzorg en eenzijdige hulpverlening werd verworpen. Ook het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden en de terugvordering van bijstandskosten terecht mede op appellant is gericht.