ECLI:NL:CRVB:2006:AV8551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Beoordeling representativiteit van verdiensten bij WAO-uitkering na hervatting in lichter werk
Gedaagde, een administratief medewerkster die wegens gezondheidsklachten uitviel, hervatte begin 2002 werkzaamheden van beperkte omvang en lichter karakter. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had op basis van deze werkzaamheden een WAO-uitkering vastgesteld met een lagere mate van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat niet voldoende was gemotiveerd dat sprake was van een structurele loonbetaling en representatieve verdiensten. Appellant stelde in hoger beroep dat de rapportage van de arbeidsdeskundige van 29 juli 2002 aantoonde dat de werkgever van gedaagde de verdiensten bevestigde.
De Raad oordeelt dat niet duidelijk is welke werkzaamheden gedaagde precies verrichtte en dat de loonwaarde van het lichtere werk gelijk werd gesteld aan die van het eigen werk zonder nadere onderbouwing. Dit leidt tot twijfel over de representativiteit van de verdiensten voor de daadwerkelijke verdiencapaciteit. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en appellant wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vernietigd wegens onvoldoende vaststelling van werkzaamheden en representativiteit van verdiensten.