ECLI:NL:CRVB:2006:AV8248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV inzake overneming betalingsverplichtingen werkgever bij faillissement
Appellant werkte voor een werkgever die op 20 november 2002 failliet werd verklaard. Naar aanleiding hiervan diende appellant een aanvraag in bij het UWV tot overneming van betalingsverplichtingen van de werkgever op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV wees de aanvraag af omdat de curator de claim niet erkende en omdat volgens het UWV de dienstbetrekking al was geëindigd vóór het intreden van de betalingsonmacht, waardoor artikel 62 WW Pro van toepassing zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef het standpunt van het UWV. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het UWV ten onrechte artikel 62 WW Pro heeft toegepast. De Raad stelt vast dat de dienstbetrekking op 20 november 2002 nog bestond, ondanks dat appellant vanaf 18 november 2002 werkzaamheden verrichtte op basis van een uitzendovereenkomst. De Raad benadrukt dat het bestaan van de arbeidsovereenkomst niet wordt beïnvloed door het aangaan van een uitzendovereenkomst en dat er geen opzegging was door werkgever of appellant.
Daarom is het besluit van het UWV in strijd met het motiveringsvereiste van artikel 7:12 Awb Pro en dient het te worden vernietigd. De Raad draagt het UWV op om opnieuw te beslissen op het bezwaar, waarbij appellant de bewijslast draagt voor de vorderingen die in aanmerking komen voor overneming. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over het bezwaar van appellant.