ECLI:NL:CRVB:2006:AV8246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens benadelingshandeling bij ontslag ambtenaar
De zaak betreft een ambtenaar die per 6 december 2002 werd ontslagen en een WW-uitkering aanvroeg. De werkgever bood een outplacementtraject aan, dat de ambtenaar niet accepteerde. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde de WW-uitkering geheel op grond van verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van de ambtenaar gegrond en vernietigde het besluit tot weigering van de uitkering, stellende dat er geen sprake was van verwijtbare werkloosheid maar van een benadelingshandeling zoals bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de WW. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep van appellant af.
De Raad oordeelt dat het niet accepteren van het outplacementtraject niet leidt tot verwijtbare werkloosheid omdat de ambtenaar het ontslag niet heeft veroorzaakt of voortijdig heeft doen plaatsvinden. De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten van de ambtenaar en bepaalt griffierechtheffing.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van verwijtbaarheid bij het weigeren van WW-uitkeringen en bevestigt dat een benadelingshandeling niet gelijkstaat aan verwijtbare werkloosheid.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd wegens benadelingshandeling.