ECLI:NL:CRVB:2006:AV6410

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-3468 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:11 AwbArt. 3:45 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschrift WW-uitkering wegens termijnoverschrijding

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen die het beroep van gedaagde gegrond verklaarde en het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift vernietigde.

Gedaagde had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 september 2004 tot blijvende gehele weigering van zijn WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Het bezwaarschrift werd ingediend op 29 oktober 2004, terwijl de termijn volgens appellant op 28 oktober 2004 eindigde. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was aangetoond dat het besluit op 16 september was verzonden, waardoor de termijn niet was aangevangen.

De Raad stelde vast dat het besluit wel degelijk op 16 september 2004 was verzonden en dat de bezwaartermijn daardoor op 17 september begon en op 28 oktober eindigde. Omdat het bezwaarschrift op 29 oktober per fax werd ontvangen, was het niet tijdig. De Raad vond geen reden om de termijnoverschrijding te verontschuldigen en vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees toepassing van artikel 8:75 Awb Pro af.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

Uitspraak

05/3468 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 21 april 2005, reg. nr. AWB 04/1254 WW tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens appellant heeft mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 5 januari 2006 heeft appellant nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2006, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. S.T. Dieters en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 16 september 2004 heeft appellant de door gedaagde aangevraagde WW-uitkering blijvend geheel geweigerd, op de grond dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden. In dit besluit is vermeld dat gedaagde tot
29 oktober 2004 een bezwaarschrift bij appellant kan indienen, indien hij het niet eens is met deze beslissing.
Bij bezwaarschrift van 29 oktober 2004 heeft gedaagde bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 september 2004. Bij het bestreden besluit van 23 november 2004 heeft appellant het bezwaarschrift van gedaagde niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aangetoond of onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellant het besluit van 16 september 2004 op diezelfde dag heeft verzonden, zodat niet kan worden aangenomen dat de bezwaartermijn op de dag na laatstgenoemde datum is aangevangen. Het bezwaarschrift moet daarom volgens de rechtbank worden geacht tijdig te zijn ingediend.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzending van het besluit van 16 september 2004 wel aannemelijk is gemaakt en dat dit besluit door gedaagde op een zodanig moment is ontvangen dat hij tijdig een bezwaarschrift had kunnen indienen.
De Raad overweegt als volgt.
Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag volgend op die waarop het besluit op voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, geschiedt de bekendmaking door toezending aan de belanghebbende.
Gelet op de voorhanden zijnde gegevens is in het onderhavige geval niet tussen partijen in geschil dat het besluit van
16 september 2004 door appellant is verzonden. Gedaagde heeft immers slechts betwist dat het besluit is verzonden op de op dat besluit vermelde datum, te weten 16 september 2004. De Raad acht deze betwisting niet aannemelijk, omdat gedaagde heeft erkend dat hij het besluit kort na genoemde datum heeft ontvangen. Daarbij merkt de Raad nog op dat uit de door appellant in hoger beroep overgelegde gegevens blijkt dat gedaagde zich reeds op 16 september 2004 bij het CWI heeft gemeld onder vermelding dat hem een WW-uitkering was geweigerd, hetgeen in overeen-stemming is met hetgeen appellant heeft uiteengezet met betrekking tot de uitvoeringspraktijk, die inhoudt dat een besluit automatisch wordt gedateerd op de eerstvolgende dag na de dag waarop het besluit is aangemaakt, en dat het voorkomt dat een besluit nog wordt verzonden op de dag waarop het is aangemaakt. De Raad ziet derhalve voldoende grond om er van uit te gaan dat het besluit is verzonden op de op dat besluit vermelde verzenddatum.
Uitgaande van verzending op 16 september 2004 is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aangevangen op
17 september 2004 en eindigde deze op 28 oktober 2004. Nu het bezwaarschrift op 29 oktober 2004 per fax aan appellant is toegezonden, is de Raad met appellant van oordeel dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De Raad ziet in hetgeen door gedaagde is aangevoerd geen aanleiding de termijn-overschrijding verschoonbaar te achten. Anders dan gedaagde is de Raad van oordeel dat de vermelding in het besluit van 16 september 2004, dat tot 29 oktober 2004 een bezwaarschrift kan worden ingediend, betekent dat indiening van een bezwaarschrift vóór 29 oktober 2004 dient plaats te vinden en derhalve uiterlijk op 28 oktober 2004. Van strijd met artikel 3:45, tweede lid, van de Awb is daarmee naar het oordeel van de Raad geen sprake.
Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant slaagt, dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) O.C. Boute.