ECLI:NL:CRVB:2006:AV6321

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-369 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek omzetting prestatiebeurs in gift conform wettelijke bepalingen

Appellant verzocht om omzetting van de prestatiebeurs die hij ontving over de maanden september 2002 tot en met februari 2003 in een gift. Gedaagde, de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, wees dit verzoek bij besluit van 11 januari 2004 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 5 april 2004. De rechtbank Arnhem bevestigde dit besluit bij uitspraak van 6 december 2004.

Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat er onduidelijkheden bestonden omtrent de omzetting van de prestatiebeurs in een gift, onder meer ondersteund door een verklaring van de decaan van zijn onderwijsinstelling. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank de grieven van appellant voldoende had gemotiveerd en dat er geen rechtsgrond was om af te wijken van de toepasselijke wettelijke bepalingen.

De Raad benadrukte dat de verklaring van de decaan geen aanwijzingen bevatte dat gedaagde toezeggingen had gedaan die appellant gerechtvaardigd vertrouwen konden geven op omzetting in een gift. De Raad concludeerde dat de berichtgeving van gedaagde weliswaar vollediger had kunnen zijn, maar dat dit onvoldoende was om het besluit te wijzigen. Het hoger beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek tot omzetting van de prestatiebeurs in een gift wordt afgewezen en het besluit blijft ongewijzigd.

Uitspraak

05/369 WSF
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 5 april 2004 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 januari 2004 waarbij gedaagde onder meer de aan appellant verleende studiefinanciering over de maanden september 2002 tot en met februari 2003 heeft omgezet in een lening.
Bij uitspraak van 6 december 2004, nr. 04/594 WSFBSF, heeft de rechtbank Arnhem het beroep van appellant tegen het besluit van 5 april 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden en onder overlegging van een aantal bijlagen tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door G.H.F.A. Brugman, en waar namens gedaagde is verschenen mr. K.H. Hofstee, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.
II. MOTIVERING
De rechtbank is op grond van de in de uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat gedaagde bij het besluit van 5 april 2004 terecht heeft beslist dat de prestatiebeurs die appellant over de maanden september 2002 tot en met februari 2003 heeft ontvangen niet voor omzetting in een gift in aanmerking komt.
Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat zich in het geval van appellant geen situatie voordoet die dwingt tot afwijking van de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Appellant heeft in hoger beroep zijn reeds eerder bij de rechtbank ingebrachte grieven herhaald.
Voorts heeft hij gewezen op een door de decaan van de [naam school] opgestelde verklaring, waaruit naar zijn mening blijkt dat er omtrent de omzetting van een prestatiebeurs in een lening onduidelijkheden bestaan.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze grieven niet kunnen slagen.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.
De door de decaan opgestelde verklaring brengt de Raad niet tot een ander oordeel.
Uit deze verklaring blijkt geenszins dat door gedaagde aan appellant toezeggingen zijn gedaan waaraan appellant het gerechtvaardige vertrouwen zou kunnen ontlenen dat gedaagde – in strijd met de wet – de hem verstrekte prestatiebeurs over de in geding zijnde periode zou omzetten in een gift.
De opvatting van de decaan dat de berichtgeving van gedaagde richting appellant, hoewel niet onjuist, vollediger zou hebben gekund en de mededeling dat gedaagde niet de enige student is die in de onjuiste veronderstelling leefde over de uit de wettelijke voorschriften voorvloeiende rechten met betrekking tot een omzetting als in geding, is hiervoor onvoldoende.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.