ECLI:NL:CRVB:2006:AV5545
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang bij beoordeling export Wajong-uitkering naar Duitsland
Appellant ontvangt sinds 1988 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en verblijft sinds maart 2002 in Duitsland vanwege studie. Hij verzocht om export van zijn Wajong-uitkering naar Duitsland, waarop gedaagde aanvankelijk niet tijdig besliste. Appellant maakte bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank Almelo verklaarde het beroep gegrond en gaf opdracht tot een beslissing binnen vier weken. Gedaagde nam vervolgens tijdig een beslissing die appellant toestond een jaar in Duitsland te verblijven met behoud van uitkering. Appellant stelde daarop hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, stellende dat niet alle grieven waren behandeld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat de beslissing binnen de gestelde termijn was genomen en geen gunstiger resultaat te verwachten viel. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Tegelijkertijd vermeldde de Raad dat een besluit tot beëindiging van de Wajong-uitkering na 15 augustus 2004 nog in procedure is bij de rechtbank Amsterdam, waarbij prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld over de rechtmatigheid van intrekking bij verhuizing naar een andere lidstaat. Deze prejudiciële procedure kan van belang zijn voor de aanspraak van appellant op de uitkering.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang omdat het bezwaar binnen de gestelde termijn is afgehandeld.