ECLI:NL:CRVB:2006:AV4763

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/4117 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht afgewezen

Opposant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Tegen deze beslissing werd verzet aangetekend.

Tijdens de zitting verscheen opposant persoonlijk, terwijl de geopposeerde partij zich niet liet vertegenwoordigen. De Raad overwoog dat het niet tijdig betalen van het griffierecht aan opposant zelf te wijten was, aangezien hij de postbus waarin de herinneringsbrief werd ontvangen niet tijdig had geleegd of iemand daarvoor had gemachtigd.

De Raad oordeelde dat de brief van 7 september 2005 geen nieuwe betalingstermijn bevatte en dat er geen reden was om het eerdere oordeel te wijzigen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet tijdige betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/4117 WWB
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 4 oktober 2005 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juni 2005, reg.nr. 04/1057, niet ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 14 februari 2006, waar opposant in persoon is verschenen. Geopposeerde heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 4 oktober 2005 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 9 augustus 2005 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn eerder genoemde uitspraak is gegeven.
Van degene die gebruik maakt van een postbus als briefadres mag worden verwacht dat hij regelmatig zelf de postbus leegt of een door hem aangewezen persoon laat legen opdat berichten omtrent toegezonden aangetekende stukken hem tijdig bereiken. Voorzover opposant destijds zelf verhinderd was om een aangetekend stuk op het postkantoor in ontvangst te nemen had hij een ander een daartoe strekkende machtiging kunnen geven. Op grond van de gedingstukken kan niet worden aangenomen dat opposant ten tijde hier van belang buiten staat was om dit te doen. Nu opposant dit heeft nagelaten is het een aan hem toe te rekenen omstandigheid dat de op 9 augustus 2005 verzonden herinneringsbrief inzake de betaling van het griffierecht hem niet tijdig heeft bereikt met als gevolg dat het verschuldigde griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van deze brief is betaald.
Aan de op 7 september 2005 door de griffier nogmaals toegezonden brief van 9 augustus 2005 kan de Raad niet die betekenis toekennen die opposant daaraan toegekend wenst te zien, omdat die brief geen nieuwe termijn voor de betaling van het griffierecht bevat.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van der Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.