ECLI:NL:CRVB:2006:AV4653
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.G. Kasdorp
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WUV- en WUBO-uitkering wegens onvoldoende bewijs vervolging en oorlogsgeweld
Eiser, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in december 2003 om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). Hij baseerde zijn aanvraag op gezondheidsklachten die volgens hem het gevolg waren van vrijheidsberoving en oorlogsgeweld tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiapperiode.
De verweersters wezen de aanvragen af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de WUV, noch dat hij was getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de WUBO. De Raad toetste deze besluiten en concludeerde dat op basis van beschikbare gegevens, waaronder informatie van het Nederlandse Rode Kruis, de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, geen bewijs was gevonden dat de door eiser beschreven vervolging of oorlogsgeweld had plaatsgevonden.
De Raad overwoog dat het verblijf van eiser in kamp Kedoeng Halang en andere genoemde omstandigheden niet voldoende waren onderbouwd en dat verklaringen van eiser zonder aanvullende objectieve gegevens niet als voldoende bewijs konden gelden. Ook de discretionaire bevoegdheid van verweerster I om eiser met de vervolgde gelijk te stellen werd met terughoudendheid getoetst en niet toegewezen.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de Centrale Raad van Beroep de beroepen ongegrond en wees de aanvragen af. Tevens werden geen proceskosten aan een der partijen toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst de aanvragen voor WUV- en WUBO-uitkeringen af wegens onvoldoende bewijs van vervolging en oorlogsgeweld.