Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AV4232

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/73 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht ongegrond verklaard

De zaak betreft een verzet tegen de uitspraak van de Raad van 30 juni 2005 waarin het hoger beroep van opposant niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.

Opposant, woonachtig in Duitsland, stelde dat vanwege zijn financiële situatie het niet mogelijk was het griffierecht tijdig te voldoen en dat hij al veel geld en tijd had verloren in de procedure. De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzet op 13 januari 2006, waarbij opposant aanwezig was en de geopposeerde partij niet vertegenwoordigd was.

De Raad overwoog dat het griffierecht volgens artikel 22 van Pro de Beroepswet verplicht is en dat het beroepschrift alleen in behandeling kan worden genomen als het griffierecht binnen de gestelde termijn is betaald. Ondanks de financiële situatie van opposant was hem een zeer ruime termijn gegeven om te betalen. De Raad vond geen gronden om af te wijken van de niet-ontvankelijkverklaring en verklaarde het verzet ongegrond met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Awb.

Er werden geen omstandigheden aangetroffen die toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb rechtvaardigden. De uitspraak werd op 24 februari 2006 in het openbaar gegeven door voorzitter J. Janssen en leden G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet tijdige betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/73 AOW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats] (Duitsland), opposant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 30 juni 2005 het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2004, nummer AWB 03/1607 AOW, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Tegen die uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 13 januari 2006, waar opposant is verschenen in persoon en waar geopposeerde zich - met voorafgaand bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad de vraag te beantwoorden of het hoger beroep bij zijn uitspraak van 30 juni 2005 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
In het verzetschrift en ter zitting heeft opposant aangevoerd dat het voor hem vanwege zijn financiële situatie niet mogelijk is het verschuldigde griffierecht te betalen en dat hij al veel geld en tijd heeft verloren om zijn recht te halen.
Hetgeen opposant heeft aangevoerd bevat geen grond op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
De Raad overweegt daartoe dat de indiener van het beroepschrift ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet een griffierecht is verschuldigd en dat een beroepschrift alleen in behandeling kan worden genomen nadat het verschuldigde griffierecht binnen de daartoe gestelde termijn is voldaan. De Raad weegt daarbij mee dat aan opposant, gelet op zijn financiële situatie, een zeer ruime termijn is gegeven voor de betaling van het griffierecht.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.