ECLI:NL:CRVB:2006:AV4202
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAZ-uitkering ondanks motiveringsklachten
Appellant ontving een WAZ-uitkering over de periode van 17 april 2000 tot en met 31 mei 2001, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) onverschuldigd werd teruggevorderd. Na een eerste vernietiging van het terugvorderingsbesluit door de rechtbank Leeuwarden, werd het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het beroep daarop door de rechtbank afgewezen.
In hoger beroep stelde appellant dat het terugvorderingsbesluit onvoldoende was gemotiveerd en in strijd met artikel 63, vijfde lid, van de WAZ, omdat het geen gedetailleerde beslissing over de wijze van invordering bevatte en onduidelijkheid bestond over de toepassing van de Beleidsregel terug- en invordering, met name omtrent de inlichtingenplicht.
De Raad overwoog dat het bestreden besluit wel degelijk de grondslag van de terugvordering vermeldt, namelijk de toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ. De wijze van terugbetaling behoefde niet in het besluit te zijn opgenomen omdat appellant daartegen geen bezwaar had gemaakt en afspraken hierover in goed overleg zijn gemaakt.
De Raad sluit zich aan bij de eerdere overwegingen van de rechtbank dat de beoordeling van de inlichtingenplicht pas na het verstrijken van de termijn aan de orde is en dat de Beleidsregel terug- en invordering correct is toegepast. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering.