ECLI:NL:CRVB:2006:AV4199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Ch. van Voorst
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende arbeidsbeperking
Appellant, een zelfstandige veehouder met een konijnenfokkerij, verzocht om een arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens polsklachten die sinds 27 juni 1997 zijn ontstaan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg na de wettelijke wachttijd. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat de arbeidsbeperkingen niet waren onderschat en dat appellant geschikt was voor de voorgestelde functies. Tevens was het maatmaninkomen correct vastgesteld, waarbij eerst de gemiddelde winst over 1994-1996 werd berekend en bij een lagere winst het wettelijk minimumloon als maatstaf werd genomen. Appellant voerde aan dat de winst negatief was beïnvloed door superheffingen en dat het maatmaninkomen gecorrigeerd moest worden, maar dit werd niet bewezen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige, aangezien appellant geen medische onderbouwing gaf die afweek van het oordeel van de verzekeringsartsen. Ook de stelling dat de Algemene arbeidsongeschiktheidswet van toepassing zou moeten zijn, faalt.
De Raad bevestigt de afwijzing van de uitkering en veroordeelt appellant niet in de proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag voor arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende arbeidsbeperking en correcte vaststelling van het maatmaninkomen.