ECLI:NL:CRVB:2006:AV3352

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6475 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling stopzetting vergoeding middelen op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad tot stopzetting van de vergoeding van bepaalde middelen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Het geschil betreft de vraag of de verweerster, als overgangsmaatregel, de vergoeding van de middelen Dhea, BR Meda Stim caps en Vit E Nat. Lab had moeten voortzetten, ondanks dat deze vergoedingen onjuist waren toegekend.

De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat een eenmalige, nadien onjuist gebleken vergoeding geen aanspraak op toekomstige vergoedingen rechtvaardigt. Verweerster heeft toegelicht dat er in dit geval geen sprake is van een constante lijn van eerdere vergoedingen die een overgangsmaatregel zou rechtvaardigen. De middelen zijn slechts sporadisch of eenmaal vergoed, en de vergoeding van vergelijkbare middelen is eerder beëindigd.

De Raad concludeert dat er geen grond bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de stopzetting van de vergoeding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

04/6475 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 28 oktober 2004, kenmerk JZ/L70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van eiseres heeft nadien het ingestelde beroep nog schriftelijk verder toegelicht en stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 januari 2006. Aldaar is, zoals vooraf werd aangekondigd, eiseres noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst vooreerst naar zijn uitspraak in soortgelijke geschillen tussen partijen van 21 april 2005, nrs. 04/1691 WUV + 04/1693 WUV.
In het nu voorliggende geschil zijn partijen blijkens de namens eiseres ingezonden nadere memorie uitsluitend nog verdeeld over het antwoord op de vraag of verweerster niet
- zoals zij wel heeft gedaan ten aanzien van de in voormelde procedures aan de orde zijnde middelen - bij wijze van overgangsmaatregel nog eenmaal de op zich onjuiste vergoeding van de middelen Dhea, BR Meda Stim caps en Vit E Nat. Lab had moeten voortzetten.
Namens eiseres is aangevoerd dat deze middelen in het verleden wel zijn vergoed, zodat eiseres er op zijn minst op mocht vertrouwen dat die vergoeding niet rauwelijks zou worden stopgezet.
Verweerster staat blijkens de gedingstukken en de ter zitting verstrekte nadere toelichting op het standpunt dat, anders dan in de eerdere gevallen, hier voor een overgangsmaat-regel onvoldoende aanleiding is nu in dezen geen sprake is geweest van een constante lijn van eerdere - onjuiste - vergoedingen.
Het middel Dhea is in het verleden slechts eenmaal vergoed, terwijl het middel Meda Stim eenmaal wel en eenmaal niet is vergoed. Ten aanzien van het middel Vit E Nat Lab geldt dat alleen het vergelijkbare middel Vit E 400 IE Vital cell life in het verleden aanvankelijk wel werd vergoed maar dat die vergoeding naderhand is beëindigd.
De Raad kan zich met dit standpunt van verweerster verenigen. Een eenmalige - nadien onjuist gebleken - vergoeding kan niet leiden tot in rechte te honoreren aanspraken voor de toekomst. De, eveneens onjuiste, vergoeding van het vitamine E preparaat had verweerster al eerder beëindigd.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
2.02