ECLI:NL:CRVB:2006:AV2765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden na ontslag
Appellant was als metselaar in dienst bij een werkgever en kreeg ontslag op staande voet wegens herhaald niet verschijnen op het werk, mede veroorzaakt door een verkeersongeval. Dit ontslag werd later ingetrokken en de arbeidsovereenkomst onvoorwaardelijk ontbonden. Appellant trad vervolgens bij een andere werkgever in dienst, maar na afloop van zijn tijdelijke contract vroeg hij een WW-uitkering aan. Deze werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos was geworden door het ontslag bij zijn voorlaatste werkgever.
De Raad overwoog dat het ontslag op staande voet weliswaar was ingetrokken en de kantonrechter had vermeld dat appellant geen verwijt trof, maar dat de redenen voor ontslag - een reeks gedragingen zoals het zonder overleg opnemen van snipperdagen en herhaald te laat komen - bleven bestaan. Appellant was hiervoor meerdere malen gewaarschuwd. Het incident van 7 juli 2002 was slechts de laatste druppel.
De Raad vond geen aanleiding tot verminderde verwijtbaarheid en onderschreef de eerdere uitspraak van de rechtbank dat het gedrag van appellant het vertrouwen van de werkgever had geschaad. Het hoger beroep werd afgewezen en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden na ontslag.