ECLI:NL:CRVB:2006:AV2651
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting AOW-pensioen wegens werkzaamheden in Duitsland
Appellant betwistte een korting van 6% op zijn AOW-pensioen, omdat hij in bepaalde perioden in Duitsland heeft gewerkt en daar verzekerd was volgens de Duitse wetgeving. De Sociale verzekeringsbank had het pensioen vastgesteld op 94% van het volledige bedrag vanwege niet-verzekerde perioden.
De rechtbank Middelburg oordeelde dat appellant in diverse perioden in Duitsland verzekerd was en daarom niet voor de AOW in aanmerking kwam, waardoor de korting terecht was toegepast. Alleen voor de periode van 1 tot en met 6 januari 1962 werd het besluit vernietigd omdat appellant toen wel onder de AOW viel.
In hoger beroep stelde appellant dat hij ook voor die Duitse perioden in Nederland verzekerd was en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat deze gronden reeds door de rechtbank ongegrond waren verklaard en dat een inhoudelijke behandeling in hoger beroep daarom niet mogelijk was.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af, waarbij werd benadrukt dat de rechtbank de rechtsverhouding tussen partijen definitief had vastgesteld en dat appellant niet opnieuw dezelfde grieven kon aanvoeren.
De uitspraak bevestigt dat werkzaamheden in Duitsland leiden tot toepassing van de Duitse verzekeringswetgeving en daarmee tot korting op het Nederlandse AOW-pensioen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de korting op het AOW-pensioen blijft gehandhaafd.