ECLI:NL:CRVB:2006:AV2478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Loonsanctiebesluiten in strijd met de wet wegens onrechtmatige motivering en termijn
Appellant, werkzaam als timmerman, werd arbeidsongeschikt en diende een WAO-uitkeringsaanvraag in met een onvolledig reïntegratieverslag. De werkgever kreeg een loondoorbetalingsverplichting opgelegd wegens nalatigheid in reïntegratie, aanvankelijk voor 12 maanden, later verminderd tot 4 maanden. Zowel appellant als werkgever maakten bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en motiveerde dat de duur van de loondoorbetalingsverplichting een discretionaire bevoegdheid van het UWV is, waarbij een termijn van 4 maanden aanvaardbaar is. Appellant stelde in hoger beroep dat de motivering van de termijnvermindering ontbrak en dat gezien de uiterste nalatigheid van de werkgever de maximale sanctie van 12 maanden had moeten worden opgelegd.
De Raad oordeelde dat de motivering tijdens de hoorzitting was gegeven en het besluit daarom niet vernietigd hoefde te worden wegens motiveringsgebrek. Wel stelde de Raad vast dat de wettelijke grondslag voor de minimumduur van 4 maanden loondoorbetaling niet strookt met artikel 71a, negende lid, van de WAO, waardoor het besluit onrechtmatig is en vernietigd moet worden.
Vanwege het verbod van reformatio in peius liet de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de WAO, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege het verbod van reformatio in peius.