ECLI:NL:CRVB:2006:AV2477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Loonsanctiebesluiten in strijd met wettelijke bepalingen en vernietigd door Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die een loonsanctiebesluit vernietigde. Het besluit legde een loondoorbetalingsverplichting van vier maanden op aan de werkgever wegens het niet tijdig aanleveren van een volledig reïntegratieverslag.
De appellant stelde dat de sanctie reparatoir is en een minimale duur van vier maanden moet hebben, gebaseerd op een herstelperiode van een maand plus de wettelijke termijn van dertien weken voor de WAO-beoordeling. De gedaagde voerde aan dat het besluit een boete betreft die in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
De Raad oordeelde dat de beleidsregel die een minimale sanctie van vier maanden voorschrijft in strijd is met artikel 71a, negende lid, van de WAO, omdat deze geen rekening houdt met de feitelijke benodigde herstelperiode. De rechtbank had het besluit terecht vernietigd. De Raad bevestigde deze vernietiging en veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten van de gedaagde.
De uitspraak benadrukt het belang van een proportionele en op maat gemaakte sanctie en het naleven van wettelijke voorschriften bij het opleggen van loonsancties.
Uitkomst: Het bestreden loonsanctiebesluit is vernietigd wegens strijd met artikel 71a, negende lid, van de WAO en de minimale sanctie van vier maanden is onrechtmatig.