ECLI:NL:CRVB:2006:AV1174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening uitkering IOAW wegens niet opgegeven partnerinkomsten en terugvordering
Appellant vroeg op 28 december 1999 een IOAW-uitkering aan en vermeldde daarbij dat zijn partner inkomsten had. Bij besluit van 3 februari 2000 werd de uitkering toegekend met de mededeling dat de partnerinkomsten in mindering zouden worden gebracht en dat appellant maandelijks inkomsten moest opgeven. Uit onderzoek bleek dat de partnerinkomsten niet waren meegenomen, waarna gedaagde bij besluit van 3 juli 2003 het recht op uitkering herzag en een terugvordering van €33.034,77 oplegde wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellant voerde aan dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had dat de partnerinkomsten geen invloed zouden hebben omdat gedaagde hiervan op de hoogte was. De Raad oordeelde echter dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door de inkomsten niet correct op te geven en dat geen toezegging was gedaan die hem daarvan ontsloeg. De Raad vernietigde het besluit voor de periode maart tot mei 2002 wegens onjuiste grondslag, maar handhaafde de terugvordering over de gehele periode omdat de uitkering te hoog was vastgesteld.
Het beroep op dringende redenen faalde omdat appellant onvoldoende bijzondere omstandigheden aannam die een terugvordering onaanvaardbaar zouden maken. De Raad veroordeelde gedaagde in de proceskosten en bepaalde dat de griffierechten aan appellant worden vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening over maart tot mei 2002 wordt vernietigd, maar de terugvordering over de gehele periode blijft gehandhaafd.