ECLI:NL:CRVB:2006:AV1084
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en aanpassing WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid
Appellant, die sinds een bedrijfsongeval in 1991 arbeidsongeschikt was verklaard, ontving een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na ontvangst van gegevens over inkomsten uit arbeid in de Verenigde Staten over de jaren 1996 tot en met 1999, heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de uitkering aangepast en uiteindelijk ingetrokken per 1 januari 1999.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat appellant arbeid had verricht in de zin van artikel 44 van Pro de WAO, ondanks zijn medische beperkingen, en dat de inkomsten uit arbeid moesten worden betrokken bij de beoordeling van de uitkeringsrechten. De Raad bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de anticumulatieregeling van toepassing was, waardoor de WAO-uitkering over 1996 werd uitbetaald alsof appellant 45-55% arbeidsongeschikt was, en over 1997 en 1998 als minder dan 15% arbeidsongeschikt.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanaf 2004 geen werk meer had, maar dit was volgens de Raad niet relevant voor de beoordeling van de eerdere jaren. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit. De uitspraak benadrukt dat bij hernieuwde aanspraak op WAO-uitkering appellant zich opnieuw tot het Uwv moet wenden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en aanpassing van de WAO-uitkering op grond van inkomsten uit arbeid.