ECLI:NL:CRVB:2006:AV0681
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering ondanks vertrouwen appellant
Appellant betwistte de herziening van zijn WAO-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd verlaagd van 80% of meer naar 65-80% en vervolgens naar 45-55%. Hij voerde aan dat hij erop mocht vertrouwen dat de verlaging met terugwerkende kracht niet zou plaatsvinden, mede omdat hij na een advies van een arbeidsdeskundige hierover tevergeefs om uitsluitsel had gevraagd en op die grond een nieuwe keuken had aangeschaft.
De Raad overwoog dat appellant niet had onderbouwd dat zijn psychische beperkingen hem verhinderd hadden om 32 uur per week te werken en dat het advies van de arbeidsdeskundige van 12 april 2000 duidelijk was omtrent de mogelijkheid van verlaging met terugwerkende kracht. Hoewel de termijn van bijna anderhalf jaar tussen het advies en het besluit lang was, stond dit niet in de weg aan de verlaging.
Verder stelde de Raad dat appellant geen ondubbelzinnige en bevoegdelijke toezegging had ontvangen die hem het vertrouwen gaf dat de verlaging niet zou plaatsvinden. Het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheid konden daarom niet worden ingeroepen om de verlaging tegen te houden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het eerdere oordeel van de rechtbank Amsterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.