ECLI:NL:CRVB:2006:AU9663
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsbeperkingen
Appellant, die sinds 1995 wegens rugklachten niet meer als sjouwer werkt, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering gebaseerd op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2001 werd geconcludeerd dat zijn rugfunctie sterk verbeterd was, waarna de arbeidsdeskundige vaststelde dat appellant in staat is tot gangbare arbeid met minimaal 75% van zijn maatmanloon.
De WAO-uitkering werd daarom per 18 maart 2002 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn gezondheidstoestand ongewijzigd was en dat het onderzoek onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de medische rapportages en het arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en volledig waren uitgevoerd en dat geen aanleiding bestond tot het inwinnen van aanvullende medische informatie.
De Raad nam ook kennis van nieuw overgelegde informatie van een neuroloog waaruit bleek dat een eerder aangenomen Hernia Nuclei Pulposi was uitgesloten, wat de bevindingen van de verzekeringsartsen bevestigde. De Raad vond dat de motivering van het besluit tot verlaging van de uitkering voldoende draagkrachtig was en wees de bezwaren van appellant af. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.