ECLI:NL:CRVB:2006:AU9641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering aan productiemedewerker met arm-, nek- en schouderklachten
Appellant, werkzaam als productiemedewerker bij een houthandel, werd op 16 augustus 1999 arbeidsongeschikt wegens arm-, nek- en schouderklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige stelde het UWV een belastbaarheidspatroon vast en werd een gedeeltelijke WAO-uitkering toegekend van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid per 14 augustus 2000.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen niet juist waren vastgesteld, mede omdat hij in 2001 een hersentumor kreeg die mogelijk al in 1999 aanwezig was en zijn klachten veroorzaakte. Neurochirurg Kuiters concludeerde dat de tumor er inderdaad al was en dat appellant psychische beperkingen had die het belastbaarheidspatroon zouden moeten beïnvloeden.
De Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige Kuiters en concludeerde dat appellant op de peildatum in staat was de geselecteerde functies uit te oefenen. De beperkingen op het gebied van vergeetachtigheid en wisselende stemming hadden geen invloed op de routinematige functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de gedeeltelijke WAO-uitkering van 15 tot 25% blijft gehandhaafd.