ECLI:NL:CRVB:2006:AU9615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep over recht op WAZ-uitkering en ingangsdatum
Appellante, werkzaam als meewerkend echtgenote in een slagerij, diende meerdere malen meldingen en aanvragen in voor een WAZ-uitkering. De UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast en kende uitkeringen toe met verschillende ingangsdata en percentages. De rechtbank verklaarde enkele beroepen gegrond en andere niet-ontvankelijk.
De Centrale Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de bezwaren tegen drie besluiten niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat deze besluiten onmiskenbaar rechtsgevolg hebben. De Raad vernietigt de besluiten waarbij de arbeidsongeschiktheid onjuist was vastgesteld en beveelt een nieuw besluit. Tevens bevestigt de Raad dat het recht op WAZ-uitkering niet automatisch ontstaat, maar pas vanaf de datum van het toekenningsbesluit.
Verder oordeelt de Raad dat een eerdere melding niet als aanvraag kan worden aangemerkt en dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Besluiten over arbeidsongeschiktheid en ingangsdatum WAZ-uitkering deels vernietigd en nieuw besluit bevolen.